Pagina's

donderdag 10 mei 2012

Ik zou wel eens willen weten....

Een favoriet liedje:
Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de bergen zo hoog
Misschien om de sneeuw te vergaren
Of het dal voor de kou bewaren
Of misschien als een veilige stut voor de hemelboog
Daarom zijn de bergen zo hoog

Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de zeeen zo diep
Misschien tot geluk van de vissen
Die het water zo slecht kunnen missen
Of tot meerdere glorie van God die de wereld schiep
Daarom zijn de zeeen zo diep

Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de wolken zo snel
Misschien dat 't een les aan de mens is
Die hem leert hoe fictief een grens is
Of misschien is het ook maar eenvoudig een engelenspel
Daarom zijn de wolken zo snel

Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de mensen zo moe
Misschien door hun jachten en jagen
Of misschien door hun tienduizend vragen
En ze zijn al zo lang onderweg naar de vrede toe
Daarom zijn de mensen zo moe...

vrijdag 13 januari 2012

Insha'Allah

Ik leerde de uitdrukking kennen tijdens een reis naar Marokko, nu al zo twaalf jaar geleden. Marokkanen gebruikten de uitdrukking los en vast wanneer ze over de toekomst spraken. Vaak is 'inshallah' zelfs een beleefde manier om nee te zeggen. Je stel bijvoorbeeld voor om morgen ergens naar toe te gaan. 'Inshallah' antwoord de ander. 'Als God het wil'. Dat kan zomaar betekenen dat God het wel heel duidelijk moet willen omdat hij dat zelf eigenlijk niet wil en ook niet van plan is, maar dat gewoon niet durf te zeggen. Dat mag voor Nederlanders oneerlijk klinken, maar ik herken dat als Zuid-Afrikaan wel een beetje. We zeggen ook wel vaker iets als: 'Ons sal maar sien' of 'Ons sal 'n bietjie kyk'. Dat is een beleefde manier om een uitnodiging af te wijzen, of open te houden, zonder direct aanstoot te geven. Vaak is dat ook een natuurlijke manier van omgaan met de toekomst in een cultuur waar alles minder gepland is dan de Nederlandse.  Dat geeft een beetje vrijheid om morgen nog te beslissen, want je weet maar nooit wat voor andere dringende dingen kunnen gebeuren en dan zit je met zo een afspraak. Deze terughoudendheid gaat ook gepaard met een bewustheid van de weerbarstigheid van de werkelijkheid en dikwijls met een groot respect voor God (of het noodlot). Al ben ik inmiddels gewend aan de Nederlandse manier van plannen - er zijn wel mensen die nu al weten hoe laat ze over zes weken met iemand een bakkie koffie gaan doen - heb ik soms nog wel moeite om mezelf helemaal in te metselen in afspraken en toezeggingen. Zo nu en dan gebruik ik dan ook bij wijze van een grap de uitdrukking 'inshallah'.

Afgelopen week deed ik dat weer zijdelings in een toezegging om naar een expositie over het Jodendom te gaan. Ik kreeg een redelijk heftige reactie van iemand die zich ergerde aan een 'islamitische' uitdrukking in verband met iets wat over het Jodendom gaat. Verder werd ik er ook op gewezen dat Allah een maangod is en later dat Christenen vaak in sommige landen worden verboden om de term Allah te gebruiken. Mijn tegenwerping dat Allah gewoon het Arabische woord voor God is, stuitte ook op weerstand. Ik ben een dergelijke gedachtegang al vaker tegen gekomen en besloot het dus maar uit te zoeken.

Twee vragen:
Twee vragen zijn van belang. Gebruiken Arabische Christenen het woord Allah voor God? En gebruiken Arabischsprekende Christenen de term 'Insha'Allah' op een vergelijkbare wijze als hun moslim landgenoten?

Ik stelde deze vragen aan vier contacten. Twee ervan zijn Egyptische Christenen, een derde is een Libanese Christen en de vierde een Nederlandse studente Arabisch die nauw betrokken is in de Palestijnse gebieden.

De antwoorden van alle vier waren eenstemmig:

1. Arabische Christen gebruiken het woord Allah zoals wij het woord God gebruiken. Dat gebruiken ze in hun gebeden, in hun liturgie, in hun viering van het avondmaal/eucharistie, in hun theologie en in hun dagelijks leven. Kijk je in een Arabische Bijbel, is het waarschijnlijk dat je het woord Allah tegenkomt overal waar je in een Nederlandse Bijbel het woord God vindt. 

2. Arabische Christenen gebruiken de uitdrukking 'Inshallah' op een soortgelijke wijze als hun moslim landgenoten. Sterker nog. De uitdrukking komt zelfs voor in de Arabische Bijbel in Handelingen 18:21 en een verwante uitdrukking in Jakobus 4:15 en 1 Kor. 4:19.

 Alle vier bevestigen aan me dat er eigenlijk geen verschil is in de manier waarop Christenen en Moslims de termen gebruiken. Wel zijn er degelijk verschillen in hoe beide groepen over God denken. Een Egyptische Christen zal je duidelijk vertellen dat Christenen anders over God denken en dat hij/zij gelooft dat de manier waarop moslims over God denken verkeerd is, maar hij of zij zal niet snel beweren dat Allah eigenlijk een totale andere God is.

 Wel is het waar dat Christenen in Maleisië werden verboden het woord Allah te gebruiken anders dan in een Islamitisch context. Wat men echter niet moet vergeten is dat de voertaal in Maleisië niet Arabisch is, en dat de naam Allah voor God uit het Arabisch door de Maleisiërs werden overgenomen, zonder kennis van hoe deze ook door Arabische Christenen worden gebruikt. Verder is dit verbod juist een erkenning dat moderne Christenen in Maleisië Allah gebruiken om naar God te verwijzen.

Onkunde of populisme?
Het idee dat Allah een totaal andere God is, is een uitvindsel van enkele Westerse predikers die in de moderne politieke klimaat werden toegejuicht om een verhaal die is gebouwd op halve waarheden, aannames en misschien wel een beetje angst. Of is dat gewoon puur en soort nationalisme of een 'christelijke' populisme? Deze predikers demonstreren met zulke uitspraken hun onkunde  van het Arabisch, de situatie in het Midden Oosten en de geschiedenis.

Ja, de naam Allah gaat wellicht terug op een van de goden die door de Arabieren werden aanbeden. Maar heeft degenen die dat als ammunitie tegen de Islam willen gebruiken nou ooit eens onderzoek gedaan naar andere woorden die voor God worden gebruikt? Het Hebreeuwse Elohim is eigenlijk gewoon de meervoudsvorm van de naam van een Kaänitische god El. En waar komt het Griekse woord Θεός, het Duitse Gott en het Nederlandse God dan vandaan?  En wie wil proberen dan maar met Jahweh aan de dans te ontspringen moet ook maar eens gaan kijken wat sommige van de antieke volken over Hem dacht. En dan weten we ook nog niet eens of we dat goed uitspreken. Al wat we hebben zijn vier klinkers JHWH. De Joden hebben het zo lang niet uitgesproken dat we eigenlijk niet met zekerheid kunnen zeggen of de vocalisering als Jahweh wel kloppen.

Ironisch genoeg is deze teruggrijpen naar Joodse wortels eigenlijk on-Joods. De meeste orthodoxe Joden zullen er niet over peinzen om JHWH met welke vocalisering dan ook op hun lippen te nemen. Dat zie je in de Joodse uitdrukking met dezelfde achterliggende gedachten als 'inshallah' namelijk 'Im jirtse Hashem', letterlijk 'indien de Naam dat wil'.

Hoe is uw naam?
Wanneer Mozes naar de verdrukte Israëlieten in Egypte gaat, vraagt hij naar de naam van de God die hem in de woestijn riep. Hierin zien we iets terug van de wereld waarin het Joodse geloof ontstond. Dat was een wereld met verschillende goden waarin het belangrijk was dat je de juiste naam van een godheid te pakken had. In een godenwereld met veel goden moest je maar blij zijn als er eentje was die je een beetje goedgezind was en wat voor je wilde doen. Zijn naam moest je kennen om hem te kunnen aanroepen. Het antwoord die Mozes kreeg is een beetje onverwacht. Hij kreeg namelijk geen tovernaam, geen afgesloten formule aan de hand waarvan je precies kon concluderen over welke zaken deze God gaat en wat zijn karakter precies is. In de naam die vertaald word met 'Ik ben wie Ik zal zijn' zit geen afgesloten dogmatiek. Het is een uitnodiging om die God te leren kennen, om maar met Hem mee te lopen. Met deze 'Ik ben' gaat Israel op reis en ontdekte Hem als een God die dichtbij komt en met zijn mensen meegaat.

Ik vraag me dan ook af wat zal gebeuren als Christenen minder met hun vuist op tafel zouden slaan wanneer ze over God praten en mensen die niet geloven zoals zij eerder zouden uitnodigen om met hen mee te gaan. Sterker nog: Wat zou gebeuren als christenen vaker zouden doen wat hun God deed? Niet de ander vragen om naar hen te komen, maar naar de ander gaan.

Later in Exodus vertelt het verhaal hoe God bij zijn volk kwam wonen, in een tent, net zoals zij in tenten zwierven. Hij trok met hen mee, ook in hun dwaling door de woestijn. Zij dachten dat ze zelf zo goed waren. Ze dachten dat God van hun alleen was. Ze dachten vaak zelfs dat God alleen hen heeft gekozen en de andere volken heeft afgewezen. Later wezen hun profeten hen erop dat God hen riep omdat Hij door hen alle volken wilde roepen.

In hun eigen taal:
In Handelingen lezen we hoe op de Pinksterdag de vervulde discipelen vertelden over de grote daden van God en hoe Joden uit verschillende landen hoorde over de grote daden van God. In hun eigen taal. Want ook de Joden  spraken inmiddels niet meer allemaal Hebreeuws thuis. Ze hoorde dat ook in het Arabisch (Hand. 2:11). En nu zou je dus kunnen vragen wat voor woord Arabische gelovigen toen gebruikten. Allah? Ik weet het niet. En misschien is dat ook wel goed zo. Ik weet alleen dat Handelingen vertelt hoe de boodschap over deze God de grenzen doorbrak die door mensen zijn gemaakt.


Onkunde is niet de grootste zonde. Niemand van ons weet alles. Hoogmoed is wel zonde. Haat ook. En haat komt vaak voor uit de combinatie van hoogmoed en onkunde maar vooral uit angst. Voordat we dus iets aangrijpen om één groep weg te zetten of de kloof tussen ons en hen dieper te graven - laten we onszelf informeren. Laten we met mensen praten in plaats van over hen. Misschien worden we een stukje nederiger en zeggen we dat we elkaar met meer geduld zullen bejegenen. 'Inshallah'. :)

maandag 31 oktober 2011

Barmhartigheid

Orthodoxie ten top:
De man die van het hemelse Jeruzalem onderweg naar Jericho overvallen werd is Adam, de mens. Door de mensenrover die hem tot zonde verleidde werd het leven een zooitje van pijn en lijding. Nog de wet of de profeten, vertegenwoordigd door een priester en een Leviet kon hem redden. Hij bleef maar liggen tot Jezus, de Barmhartige Samaritaan hem redde. Zoals de Samaritaan de man meenam, nam Jezus de zonde van de mens op hem en bracht de mens naar een herberg. In deze herberg, die de kerk vertegenwoordigd, vindt de man rust en zorg tot Jezus terugkeert. Hoewel de uitleg over de details van het verhaal varieert, is deze uitleg al sinds de vroege kerk zeer populair. Het kan haast niet anders.  De centrale rol die het verlossingswerk van Jezus in deze uitleg krijgt is zo orthodox, dat je jezelf al bijna verketterd als je er vragen bij gaat stellen. Toch doe ik dat maar weer, niet omdat ik sinds mijn eerste vragen aan mijn moeder nog niet aan een kinderlijke nieuwsgierigheid ben ontsnapt, maar omdat ik serieus overtuigd ben dat respect voor de Schriften en eerbied voor Jezus Christus dat van mij vragen.
 
Een Samaritaan?



De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan is namelijk volgens Lucas niet een geïsoleerd mooi verhaal die Jezus vertelt als vooruitwijzing naar zijn dood en de betekenis ervan, maar een antwoord op een vraag. Het is de vraag van een wetgeleerde. Keurig had de wetgeleerde een combinatie van twee Schriftgedeelten geciteerd om het juiste antwoord te geven. God moet je liefhebben met je hele hart en ziel en je naaste als jezelf.

"Goed geantwoord!" hoorde de jurist van Jezus. "Ga dat maar gewoon doen dan komt het goed."
Hierbij kon de wetgeleerde het natuurlijk niet laten liggen. Zoals ieder jurist weet is in het uitvoeren van de wet helderheid geboden. De definitie moest wel duidelijker. Wie zou voor deze liefde in aanmerking kunnen komen. En natuurlijk ook - wie niet.
 

Van Jezus krijgt de wetgeleerde geen goedgeformuleerde definitie, maar een verhaal. Een verhaal over een man die in zijn eentje op reis was.  De wetgeleerde kende de weg. Het was niet zo verstandig  van de man om er alleen te reizen, want de weg was ruw, ging over heuvels en door dalen, op plaatsen waar rovers zich makkelijk konden verstoppen. Dat de man overvallen werd, verbaasde de jurist niet. Ook van het optreden van de priester en Leviet keek hij niet zo op. Iedereen wist dat een priester moest uitkijken om niet een dode aan te raken. Als de man niet meer leefde of zou sterven terwijl de priester met hem bezig was, was de priester onrein en ongeschikt voor dienst in de tempel. Het was hard dat je moest kiezen, maar we leven nou eenmaal in een gebroken wereld en dan gaat het eren van God toch voor. Zo redeneerde de partij waar de priester toe behoorde ten minste. Niemand zou durven te beweren dat vrees voor de rovers bij de priester of Leviet een rol speelde. Het was puur overweging op grond van wettelijke voorschriften en de interpretatie ervan.
De jurist was ervan overtuigd dat er andere mogelijkheden waren. Daarom wachtte hij op een derde passant. Jezus zou gaan vertellen hoe een wetgeleerde langskwam, die met zijn kennis van de wet een mogelijkheid zou vinden om de geslagen man te helpen en zich toch aan de wet te houden. De wetgeleerde en zijn partij waren meesters in het vinden van de verschuilde mazen in de wet om toch nog een stukje menselijkheid te kunnen tonen.
Maar de man die eens zei dat de mens niet voor de Sabbat, maar de Sabbat voor de mens is gemaakt, zei niets over een vrome wetgeleerde, niets over Shammai of Hillel. Wie kwam er langs de weg? Een Samaritaan! Wat had die nou te zoeken aan de weg tussen Jeruzalem en Jericho? "Laat hem maar snel teruggaan naar zijn eigen land. Laat hem zich daar maar houden aan de regeltjes van zijn achterlijke godsdienst. Iedereen weet toch dat de godsdienst van Samaritanen op leugens gebaseerd waren en dat ze de Joden het leven niet gunde. Laat hem maar snel teruggaan naar Nablus."  dacht de wethouder.
De wetgeleerde hoorde nauwelijks hoe Jezus vertelde over de barmhartigheid die de Samaritaan aan de geslagen man bewees. Hoe hij zelfs zijn eigen portemonnee trekt om de verzorging te betalen van een man tegenover wie hij geen verplichting had. De beste wetgeleerde kreeg het woord Samaritaan niet eens over zijn lippen. Dan dwingt de vraag van Jezus hem tot een uitspraak over het verhaal. Wie van deze drie denkt u dat de naaste geweest is van hem die in handen van de rovers gevallen was?
Jezus had zijn vraag omgedraaid. De wetgeleerde vroeg wie zijn naaste was, maar Jezus vraagt hem wie door zijn optreden laat zien dat hij begrijpt wat naastenliefde is. De verantwoordelijkheid voor naastenliefde is niet met een slimme definitie of een briljante interpretatie van de wet op een ander af te schuiven.

Barmhartigheid in de politiek anno 2011
En op dit punt viel afgelopen week voor mij twee Christelijke partijen in de zaak Mauro door de mand. Ik snap dat het voor een CDA fractie lastig is, maar als ze ooit nog willen dat Nederlanders moeten geloven dat barmhartigheid voor hun een kernwaarde is, moeten ze beter doen dan deze lastigheid via een studievisum bij een jongen van 18 jaar neer te leggen. Dat is gewoon schandalig. De minister moet ook niet pretenderen dat hij geen andere keuze heeft. Afgelopen weekend verscheen in de Volkskrant een artikel van ondertekend door twaalf rechtshoogleraren die  aangeven dat de minister de mogelijkheid wel degelijk heeft.

Nog erger vind ik echter de vertoning van de SGP. Van der Staaij oogstte lof met zijn argument dat de kamer niet over individuele gevallen moet debatteren. Zijn weerstand is enigszins begrijpelijk. Te veel hype is niet bevorderlijk voor objectieve en rationele overweging. En met een achterban voor wie de media vaak verdacht is, is dat al helemaal geen terrein waar ze hun invloed kunnen laten gelden. Toch zou juist hij als kenner van de Bijbel moeten weten dat ook in de wetten van Mozes individuele casussen aanleiding tot wetgeving gaf. Het zijn de verhalen van een Samaritaan en een Mauro die ons helpen om het gebod van naastenliefde uit een theoretisch gesteggel te halen. Die ons aantoont dat een beleid wringt. Dat een gedoogconstructie niet deugt. Je vraag je toch af waar het geweten van de SGP zich op zo moment schuil houdt. Dezelfde partij die pleit voor ruimte voor trouwambtenaren om op grond van hun geweten te weigeren wettige huwelijken te sluiten, ziet in het debat geen ruimte om naar hun geweten te handelen en zich uit te spreken voor een meer humaan beleid ten opzichten van minderjarige asielzoekers. Er is maar één woord voor- Hypocriet. Ja naar de letter van de wet zou je kunnen zeggen dat Van der Staaij gelijk heeft, maar uiteindelijk is barmhartigheid en naastenliefde niet in wetten en regels vast te leggen. Soms moet je niet vragen naar de juiste definitie, soms vraag het leven ons: Wil je zelf een naaste zijn?
Vandaag is Hervormingsdag. Protestanten leggen veel nadruk op de juiste leer. Zeker in rechtse hoek word het belang van een orthodoxe belijdenis benadrukt. Toch zei Jezus eens dat het om meer dan een nauwkeurige belijdenis gaat. En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg? (Luk. 6:46). Niet de meest orthodoxe Schriftuitleg lijkt bepalend te zijn, maar wat je met de woorden van Jezus doet.

Jezus vroeg de wetgeleerde:"Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn ...?"  
De wetgever antwoorde: "Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft."
Zo zeide dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks. (Luk. 10:36-37)

Wat kan ik voor Mauro en de anderen als hij doen? Ik heb zelf genoeg aan mijn hoofd. Toch denk ik als ik Mauro was, dat ik blij zou zijn met elk mens die niet als de priester of Leviet de andere kant opkijkt en verder gaat. Misschien moet ik toch morgen naar Den Haag om voor het eerst in mijn leven te demonstreren.